Gisteren woonde ik een college bij van mijn collega-onderzoeker, de Canadese Jessica Alleva, voor onze eerstejaars psychologiestudenten. Het ging over het hebben van een negatief lichaamsbeeld, oftewel de opvatting dat je eigen lichaam niet mooi genoeg is, omdat het niet voldoet aan ons Westerse schoonheidsideaal. Het hebben van een negatief lichaamsbeeld is onder andere dé risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis.

Het was een heel interessant college, maar waar ik echt van achterover sloeg waren de cijfers met betrekking tot jonge kinderen, met name meisjes. Op een leeftijd van 8-9 jaar heeft de helft van de meisjes een negatief lichaamsbeeld. En eveneens de helft heeft al eens een dieet gevolgd om dunner te worden!

Worobey_Barbie
Worobey & Worobey (2014). Body-size stigmatization by preschool girls: in a doll’s world, it is good to be “Barbie”. Body Image.

Wat ik tevens best wel schokkend vond, was het overweldigende bewijs voor de rol die media hierin spelen. En waar het bij volwassenen nog gaat over magazines die ze bewust kopen, en waarvan ze eigenlijk wel weten dat de getoonde foto’s flink gephotoshopt zijn, verloopt het proces bij kinderen een stuk ongemerkter. Kijk maar eens naar de gemiddelde Disneyfilm: de prinses is steevast een overdreven versie van ons schoonheidsideaal, inclusief een onrealistisch slanke taille, en de prins is er niet veel slechter aan toe. Een mooi uiterlijk staat in deze verhalen garant voor goed, slim en aardig zijn, voor geliefd worden, en vice versa: de slechterikken zijn steevast lelijkerds. Zo wordt heel jonge kinderen al verteld: als je niet voldoet aan het schoonheidsideaal, dan vergeet het maar – geen vrienden en succes voor jou!

Dit laatste idee werd nog eens pijnlijk duidelijk gemaakt in de studie die John en Harriet Worobey vorig jaar uitvoerden onder meisjes van slechts rond de 4-5 jaar oud. De meisjes kregen drie Barbiepoppen, een dunne (oftewel, de ‘normale’ Barbie zoals iedereen haar kent), een gemiddelde en een dikke. Er werd hen vervolgens gevraagd welke van de poppen het meest waarschijnlijk een een bepaald gedrag of eigenschap zou vertonen, zowel positief als negatief. Bijvoorbeeld: “Welke pop helpt graag anderen?”, “Welke pop is verdrietig?” of “Welke pop heeft een beste vriendin?”. De resultaten waren overweldigend: alle positieve punten werden grotendeels toegeschreven aan de dunne pop, en alle negatieve grotendeels aan de dikke.

Tot dusverre heeft het meeste onderzoek zich gericht op vrouwen en meisjes, maar mannen en jongens blijken de dans niet te ontspringen: recent onderzoek laat zien dat ook zij zwoegen onder het schoonheidsideaal, dat tegenwoordig volgens onderzoekers meer dan ooit verwijderd is van de fysieke werkelijkheid. Mannen – en jongens – maken zich niet zozeer zorgen over hun lijn, maar zijn vooral onzeker over hun hoeveelheid spieren.

Mogen meisjes dan niet meer met Barbiepoppen spelen? Nou… iedereen weet dat jonge kinderen vooral leren door te spelen. En het kan dus blijkbaar geen kwaad om af en toe na te denken over waar ze dan eigenlijk mee spelen, en welk effect dat kan hebben op hun zelfbeeld. Voor zover ik weet is daar nog niet specifiek onderzoek naar gedaan, maar wellicht kun je als ouder die effecten beperken, en je kind zelfs weerbaarder maken, door hierover het gesprek aan te gaan?

Nina

Worobey & Worobey (2014). Body-size stigmatization by preschool girls: in a doll’s world, it is good to be “Barbie”. Body Image.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here