“Wacht maar tot je kinderen hebt…”. Het ligt nog weleens op het puntje van mijn tong. Bijvoorbeeld als mijn studenten steen en been klagen over hoe zwaar het is om de wekker te zetten voor mijn college dat op mijn verzoek al om 9:00 geroosterd staat. Of als een collega zonder kinderen zit te zuchten over werken na een korte nacht van ‘maar’ 6 uur. Het is héél verleidelijk om deze klagers de mond te snoeren met als inzet dat je een kind hebt. Dit is een pleidooi om daarmee te stoppen.

Want weet je wat? Het begint bij je hoogzwangere buik, die onherroepelijk tot het veelzeggende “geniet nog maar even van je rust nu het nog kan” leidt, en daarna houdt het niet meer op. Nooit! Mensen met ‘maar’ één baby hebben het nog relaxt, wacht maar tot die baby een dreumes is en gaat lopen! Of een peuter is en opeens een eigen wil blijkt te hebben! Of wacht maar tot je er twee kinderen hebt, of drie, of honderdveertien! En als je thuisblijft heb je het vast minder zwaar dan wanneer je ook nog werkt, of toch niet, want op je werk kan je in ieder geval nog andere dingen doen dan met een po achter je dreumes aanrennen terwijl je peuter honderd vragen op je afvuurt. Et cetera, et cetera.

We schieten niks op met dat opbieden tegen elkaar, mensen. Elke nieuwe fase van het ouderschap overrompelt je in eerste instantie. Sommige overrompelingen zijn welkom (doorslapen! zindelijk!), op andere had niemand je kunnen voorbereiden (vul zelf maar in). Het opbieden tegen iemand die geen kinderen heeft en ze misschien niet eens wil, heeft daarom ook geen zin. Het geeft hooguit de indruk dat je er vooral niet aan moet beginnen.

Marlies

1 REACTIE

Comments are closed.