Ik heb tien jaar als kleutermeester gewerkt. Om mij heen wordt beaamd dat dit een lange tijd is. Eigenlijk vreemd. Mijn collega zal aan het eind van haar carrière (aankomend jaar) 43 jaar als kleuterjuf hebben gewerkt. Maar niemand die zich af zal vragen waarom een vrouw dat zo lang doet. Ik kreeg ook felicitaties met mijn promotie. Kleutermeester is dus iets tijdelijks. De Ipad waarop ik dit typ, maakte van het woord kleutermeester ‘keutermeester’. Groep 8 verhoudt zich tot groep 1 als een mega stal tot een kinderboerderij.

In die tien jaar heb ik het onderwijs aan het jonge kind zien veranderen. Ik werd in 2004 al meteen geconfronteerd met de kleutertoets van het Cito, waar kinderen uit het platte vlak moesten afleiden dat een grote hoeveelheid dozen waarschijnlijk ook het zwaarst zou zijn, waarin ze een plaatje kregen voorgeschoteld van een meisje dat pas acht jaar later iets te bedekken zou hebben, en dan moesten weten dat dat meisje een bikini droeg, ze moesten weten wat een groenteman was (dat weten volgens mij alleen kinderen in Amsterdam-zuid) of een afwasborstel (90 procent van de kinderen heeft een vaatwasser). We mochten toen gelukkig zelf weten wat we met de (non) informatie van de toets resultaten deden.

Later moesten we groepsoverzichten en groepsplannen schrijven. Kinderen die de in de toets voorgelezen verhaaltjes onvoldoende begrepen (of gewoon nog zaten te hannesen met die meerkeuze opgaven) moesten interactief worden voorgelezen (tussen de vouwwerkjes, moeder- en vaderdag cadeaus door, het begeleiden van kinderen die een hut maken van kisten en zware planken, het verschonen van de broekplassers) Daarna werden ze weer getoetst, en dan zou er een significant verschil te zien moeten zijn. Ware het niet, dat de normering ook weer strenger was geworden. En zo problematiseerde ik verder. Uren was ik bezig met het schrijven van nieuwe groepsoverzichten en -plannen, voor de juffen van volgend jaar. Die er ook geen tijd voor hadden, omdat ze groep 3 moesten lesgeven. Wat was het heerlijk om de barricades op te gaan, samen met mijn collega (nog van de klos) Kinderen moeten spelen! De ouders stonden achter ons, want het sociaal emotionele aspect was voor hen het belangrijkst. Het beklimmen van barricades gaat erg lekker, als ouders achter je staan. Soms moest ik ze wel herinneren dat school iets anders is dan een BSO.

En nu ga ik dus lesgeven in de middenbouw. Een collega (bevlogen Montessori-leerkracht) beschreef weleens:’ de strijd om het werk die ik moet leveren, ben ik zo zat.’ Er zijn nog veel meer toetsen die ik moet afnemen. Nog veel meer data die ik het hoofd moet bieden. En dan nog een ritmisch dagplan maken, waar er (à la Jenaplan) ruimte is voor hoofd, hart en handen. En waar iedereen zijn of haar talent kan aanboren. Geen ouders meer die achter je staan. Er moet gescoord worden. Een enkel kind is hoogbegaafd. De achteruitgang van een ander kind ligt niet aan de thuissituatie. Maar toch heb ik er zin in, en heb ik allerlei idealistische plannen. Gek hè.

Bart