Ik hoor ouders vertellen over hun ervaringen met hun jonge kinderen. De ouders met een kind uit categorie van nog geen jaar oud. Ervaringen die ik ook heb. Over de dagen dat ik blij ben dat ik ben wezen plassen, dat ik ergens nog wat heb weten te eten en de zevende lading in mijn wasmachine draait, de dagen van melkspugen, kwijlen, luiers en andere nattigheid. De nachten die bestaan uit dommelen tussen en tijdens de voedingen, me ’s morgens afvragen bij het wakker worden of ik weg kan sluipen of dat de baby geheid wakker wordt. Wat ze altijd worden, bij mij tenminste. De dagen dat ik het plan had een uitstapje te maken en dan tot de conclusie komen dat ik beter thuis kan rondlopen met een verdrietige baby met last van tandjes, overprikkeling, geen-idee-wat op de arm, scheelt benzine en gesleep met spullen.

Super herkenbaar allemaal. Maar wat is het vér weggezakt. De jongste gaat in augustus van dit jaar naar de basisschool, dus zó lang geleden is het allemaal niet. De babytijd herinner ik me als een in sneltreinvaart aan elkaar opvolgende fases. Ik wende relatief snel aan elke nieuwe fase, zitten, kruipen, lopen. Ontwikkelingen die het leven van een ouder meestal wat makkelijker maken, soms wat lastiger. Een kruipend kind op de camping vond ik een hele uitdaging, meer dan kamperen met een min of meer stationaire baby. Ik bleef dreumes uit de verleidelijke (koude!) kampvuurplaats vissen, we zijn maar twee dagen eerder naar huis gegaan van de overigens heerlijke natuurcamping. Ik wende aan de nieuwe fase en vergat ook snel wat ervoor zat, om daar weer aan herinnert te worden wanneer er baby’s of dreumesen op bezoek komen. O ja! Zo gaat dat als ze nog niet met bestek eten, zó gaat dat als je kindje nog niet kan zitten. Hélemaal vergeten.

Begin van dit jaar was het tijd om op mijn werk door te geven of ik mijn ouderschapsverlof wilde verlengen. En tot mijn verbazing dacht ik er serieus over om het níet te verlengen, weer drie dagen buiten de deur te gaan werken in plaats van de twee die ik nu doe. Ik voelde dat er weer ruimte was, tijd. Blijkbaar bestaat mijn leven niet meer volledig uit puinruimen, pappen en nathouden, dweilen met de kraan open en soms (vaak) de boel de boel maar te laten. Ik vond het heerlijk, de tijd dat de kinderen zó klein waren, mijn wereld compact en draaiend om hen. Ik merk dat ik in een overgangsperiode zit: van puur naar binnen gericht, naar meer naar buiten. Maar niet te snel hoor, dat ouderschapsverlof heb ik toch maar verlengd, nog zo lang mogelijk genieten van wat er binnen is. Buiten zal er altijd zijn.

DELEN
Vorig artikelHerziening
Volgend artikelSCOL

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here