Mijn kind is heel bijzonder. Eigenlijk kan mijn kind zich niet goed ontplooien in een groep. Nu is de mens een groepsdier, dat weet ik best. Maar mijn kind is geen kuddedier. Of ik vind dat mijn kind geen kuddedier mag zijn. Stel je voor dat hij plotseling naar Kung Fu Panda wil kijken. Dat is een klap in het gezicht van mijn geweldloze opvoeding. Of dat hij thuiskomt met snoep. Dat verschrikkelijke speelgoed-eten, dat een klap in het gezicht is van de derde wereld landen, waar men zelfs niet aan gezond eten kan komen. Of dat hij een klap in het gezicht krijgt. Als hij maar geen voetballer wordt. Ze schoppen hem misschien halfdood.

Mijn kind is heel bijzonder. Want ik ben heel bijzonder. Zo bijzonder, dat die bijzonderheid gekoesterd moet worden. Want de bijzonderheid is niet bestand tegen de grote boze buitenwereld. Die is er namelijk altijd op uit om de bijzonderheid kapot te maken. En scholen lopen daarin voorop. En ik weet best dat ieder mens bijzonder is, maar ik vind het jammer dat ieder mens zijn bijzonderheid zo teniet doet door te veranderen in een kuddedier.
Daarom zijn mijn zoon en ik samen bijzonder. Hier aan de keukentafel, met een door onszelf ontwikkelde rekenmethode. O zo.

Bart