|
Wij hebben een bouwvakker en in dit verhaal heet hij Kees. Kees is een leuke man; een joviale Amsterdamse jongen en erg aardig voor de kinderen. Als de oudste uit school komt zegt mijn zoon als eerste: 'Even bij Kees kijken hoor.' Dan glipt hij de steeg in om sprakeloos te bekijken wat stoere Kees nu weer allemaal uithaalt met zijn powertools. De jongste vind hem ook lief. Hij gaat in de deuropening staan en roept alles over de schutting wat hij meemaakt: 'Keesje! Keeeeesje! IJsje eten lekker! Keesje mama drinken! Poes slapen! Keesje!'. Kees vind het allemaal best. Hij is inmiddels een graag geziene gast hier. Hij eet graag ijsjes en hij is dol op onze kinderen en zij ook op hem. Op de een of andere manier voelt het goed zo'n extra volwassene over de vloer. Als mijn jongste gekke fratsen uithaalt hoor ik Kees zeggen: 'Hé gozer wat ben jij nou aan het doen? Is dat niet gevaarlijk?'. Hij houdt een oogje in het zeil en ik kan iets beter ontspannen, ondanks de stof en herrie. Ik realiseer me daardoor dat het kerngezin, zoals de meesten van ons leven, eigenlijk soms te benauwd aanvoelt. Wat zou het heerlijk zijn om meer mensen om ons heen te hebben, die opletten, bij ons wonen, meedenken. Die af en toe even wat lucht en ruimte geven. Een ander perspectief. Wat dat betreft zou Kees zo bij ons mogen wonen.
Mijn vader vertelt soms over vroeger. Een bepaald beeld uit zijn jeugd blijft terugkomen in mijn gedachten. Dan zie ik mensen op stoepen zitten en praten en lachen en de kinderen spelen vrij met elkaar. De wijk waar mijn vader woonde was duidelijk afgebakend: je ging als kind tot aan die grens en er niet over. Tot die onzichtbare lijn woonden allemaal bekenden: buren, familie, vrienden. Iedereen kende elkaar. Als volwassene kwam ik met mijn oma eens bij de groenteboer en die vroeg meteen: 'hé ben jij er een van J**?'. Zo ging dat vroeger ook: mensen vroegen wie je was, wie je familie was, waar je woonde. Ik hoor dat mensen met buitenlandse roots ook wel eens doen. Vragen van wie je er een bent, wie je kent, waar je vandaan komt. Dan krijg je een plek, dan kunnen ze je plaatsen. Vriend of vijand? Zo ging het ook in mijn vader's dorp. Vanaf dat hij kon lopen ging hij de straat op. Op de stoepen zaten moeders met een kind aan de borst of waren de aardappels aan het jassen. Het maakte niet uit wie er buiten was, want er werd altijd op je gelet. Je was volkomen vrij binnen de veilige armen van de gemeenschap. Dat is nu wel anders. Toen onze oudste was geboren liep ik eenzame rondjes door mijn wijk. Ik kwam niemand tegen. Ik ging soms met mijn kleine baby in het park zitten, of in een speeltuin. Dan sprak ik wel eens iemand, dan was er wat gezelschap. Als het regende belde ik mensen op om te vragen langs te komen, maar dat vulde ook geen dag. Ik voelde me vreselijk alleen.
Vandaag de dag bemoeien we ons niet zo veel met elkaars kinderen. We voelen dat als inbreuk op onze privacy. Het is ons recht om te doen wat ons goed dunkt maar daardoor staat het gezin wel erg op zichzelf. De sociale verbanden zijn los en onduidelijk. Kinderen missen daardoor de bescherming die een hechte gemeenschap zou bieden. Ze missen de extra stimulans van relaties aangaan buiten het gezin. Wij hebben geluk: onze ouders wonen op loopafstand en zij denken en leven mee. Ze nemen de kinderen mee boodschappen doen of op visite. De jongens mogen kijken hoe mijn vader klust of hoe mijn schoonouders in de tuin rommelen. Het is een verrijking voor ons gezin, maar ik realiseer me wel dat wij een uitzondering zijn. Veel mensen wonen ver van hun ouders vandaan of hebben geen contact. Ook onze straat is vrij uniek. Onze kinderen worden redelijk in de gaten gehouden door alle buren, de kinderen komen allemaal bij elkaar over de vloer. Wij grote mensen bemoeien ons niet direct met elkaars kroost maar er is wel een gevoel van saamhorigheid, we vieren samen een paar keer per jaar feest, het is bijna een kleine stam. Oudste zoon heeft de buren geadopteerd als tweede ouders en komt daar iedere dag over de vloer. Van de week kwam buurvrouw vragen waar hij was, want ze had hem al een paar dagen niet gezien. Dat voelt zo fijn.
Onze Kees gaat bijna weg. Hoe gek het ook klinkt: we gaan hem missen. Door onze bouwvakker realiseer ik me hoe fijn het zou zijn om in een grotere leefgemeenschap te wonen. Een dorpje waar mensen aan het werk zijn, die allemaal anders zijn, die een nieuw perspectief toevoegen aan het leven van onze kinderen. Dat ze hopeloos kunnen gaan houden van zo iemand, daar een relatie mee kunnen opbouwen, een vriendschap voor het leven. Onze Kees gaat weg en de band die de kinderen met hem hebben verdwijnt daarmee ook. Dááág Keesje! We zullen je missen.
|